Zie De Appel Buiten

Volle maan

Isabelle de Algerijn

Affichebeeld Volle maan

van Leïla Sebbar

Ziza (deel 10)

Vertaling Alain Pringels, dramaturg Toneelgroep De Appel

Slimène vraagt zich af of zij wel van hem gehouden heeft. Isabelle, Ziza. Hij vraagt zich af of ze echt van hem gehouden heeft. Hij kan het niet nalaten.

Soms denkt hij: ik was de enige man, ja, de enige man, dat herhaalde ze voortdurend, de enige minnaar, echtgenoot, broer, compagnon, ik was haar familie, haar huis, haar land... Ze zei het keer op keer. Ik heb het altijd geloofd, ze zei het met die passie van haar, waarom zou ik daaraan twijfelen? Haar woorden, haar gebaren, onze lichamen, zij was van mij, ik was van haar, voor altijd, tot de dood. De enige man, ik weet het... Ik zeg niet de eerste of de laatste, ik zeg de enige, diegene waarvan ze kon houden omdat hij wist hoe hij van haar moest houden, dat denk ik en het is waar, ik wist hoe ik van haar moest houden, Isabelle, Mahmoud, Ziza, Madame Ehnni, mijn vrouw. Het gebeurde soms, hij zegt niet hoeveel keer, dat hij dacht dat zij van hem hield, ja, maar dat ze eigenlijk niet hield van Slimène Ehnni, de Spahi, de zoon en kleinzoon van een Spahi, zijn vader, kind van een genaturaliseerde groep uit 1870, wiens ooms Spahi waren in dienst van Frankrijk en haar rijk, dat roze ingekleurd was op de geografische kaarten in de Franse school, hij herinnert het zich nog goed, dat heel kleine Frankrijk, al dat roze ver weg, waar hij nooit zou komen, Frankrijk, met haar rivieren en stromen, en haar zachte timmerhout, groot op de rivieren, klein op de kleine stroompjes en daar de droogte, dat kende hij niet, hij kende zelfs het woord niet, misschien. Hij kon Frankrijk tekenen met alle namen, kleuren, op de juiste plaats. Algerije kende hij van op de wereldkaart, zijn land heeft hij nooit met de hand getekend op een tekenblad dat dikker was dan de blaadjes uit de schriften. Op een dag zou hij naar Frankrijk gaan. Daar was hij zeker van. En hij is getrouwd in Marseille.

En als Isabelle niet van de Spahi heeft gehouden, hij heeft er niet zo aan deelgenomen zoals de anderen, aan de onderdrukking van de elkaar opvolgende opstanden toen ze hem naar de Zuidelijke gebieden stuurden, hij, Slimène Ehnni, sergeant van het 3e Spahi, hij moest gehoorzamen, zij kon niet verhinderen dat hij tegen zijn broeders moest gaan vechten, als Isabelle, zoals hij gelooft, niet van de Spahi, inheemse dienaar van het Franse leger, hield, van welke man hield ze dan wel? Die vraag stelt hij zich vandaag nog en nu nog meer dan toen zij nog in leven was. Als hij zich vergist, zal hij het nooit zeker weten. Ziza is dood.

Het was in El Oued.

El Oued
El Oued

Een gerucht doet snel de ronde. Die vrouw die in de stad met de witte en gouden koepels aankwam, duizend koepels heeft de stad (wie heeft ze geteld?), men zegt dat zij een spionne is, een avonturierster, een verschoppeling, we moeten haar wantrouwen, ze rijdt op een paard of de rug van een muilezel, gekleed als inheemse man, wat komt zij doen in een stad waar een vreemdelinge nooit alleen tot aan de poorten van de bordelen gaat tenzij in het gezelschap van een dienaar of een negerin. Had zij een officiële vrijgeleide om zomaar de gebieden die door militairen gecontroleerd worden te doorkruisen? Het Arabische Bureau werd trouwens ingelicht over de komst van ‘een Russin die zich aan literatuur wijdt', een jonge vrouw der letteren, welk gevaar kon daarin schuilen? Toch vertrouwde men het niet, het verhaal van die intellectuele vrouw was misschien een dekmantel. Men sprak ook over een ‘Mevrouw Eberhardt' gekleed als een jongeman uit de Tell met de rozenkrans van een moslim tussen haar vingers. Een vreemdelinge zonder vader, zonder moeder, zonder familie, zonder man of pooier, vrij van familie of huwelijksbanden, mocht ze een meisje uit de bordelen zijn, dan had de dokter van het militaire hospitaal dat gesignaleerd, dat schrijft het reglement voor, de majoor weet dat. De officier van het Arabische Bureau in El Oued, de Saint-Cyrien afkomstig van Douai (militairen die hier zijn sinds de veroveringen van het leger van Bugeaud), een belezen kapitein (hij werkt aan een boek over het schip van de woestijn, de dromedaris, hij is vriend van de touareg en de nomaden), men zegt dat deze verlaten vrouw, ja ze bestaan, haar land verlaten heeft als banneling, weg van haar familie, zonder hulp, om haar ondeugden te volgen, zij zou, net als zoveel anderen, geloven dat Arabieren nog beter dan Afrikanen onverzadigbare vrouwen kunnen bevredigen. Daar had hij zo zijn bedenkingen over, maar hij zei er niets over. De enige zekerheid die hij had, was dat ze een jonge Russische aristocrate was die zich bekeerd had tot de Islam, die Arabisch sprak en naar El Oued kwam. Een raadsel.

Slimène volgde het gerucht dat ging vanaf het Moorse tot het Franse café, vanaf de marktplaats tot in de kazerne en de hammam. Hij wist evengoed als de kapitein van het Arabische Bureau dat deze excentrieke vreemdelinge, een vreemdelinge die niet onderworpen was aan de wet van de Koran (maar wat als ze moslim was?), wel lid was van de broederschap van Quadrïa (de kapitein wist het zelf ook, maar die wilde dat niet geweten hebben), en dat er onder de leden van de broederschap een absolute solidariteit heerst. Zij heeft dan toch Broeders in een eeuwigdurende ondeelbare gemeenschap (is zij een Zuster of een Broeder?). Zij is gehoorzaamheid verschuldigd aan de orde en aan de chef van de orde, de Sjeik, ‘U zal in handen van de Sjeik als een lijk zijn in handen van hij die de doden wast', dat is haar motto, onveranderlijk als de woestijn en de Islam. Een vreemdelinge, een Russin, die zo ver van het huis van haar vader de vrijheid zoekt, en zich aan de wet van een Islamitische Broederschap onderwerpt. Slimène is daarover even verrast als kapitein Cauvet. Zou zij voor het Broederschap en tegen Frankrijk werken? Ze kan doen alsof ze een vriendin is, trouw lijken en rebels zijn, het pact verbreken dat toch niet dezelfde waarde heeft al naargelang aan welke kant je staat. De kapitein bracht een bezoek aan de vreemdelinge waarvan men zei dat ze rijk was (waarom woonde ze in dan in de arme Arabisch en Joodse wijk?), het was niet enkel een gebaar van hoffelijkheid van de kapitein. Hij wilde het met zijn eigen ogen zien, zonder tussenpersonen, routinewerk van een politieman werkzaam in het Arabische Bureau. Een kluizenaarswoning. Een matras op de grond met daarboven een tentzeil gespannen, een kleine tafel met stoelen van ijzer, en reiskisten die waarschijnlijk boeken en schriften bevatten, aan de muur foto's van de familie, en een teugel met enkele amuletten, een rode boernoes, die van de Spahi Slimène Ehnni was. Achter het huis stonden enkele palmbomen en een kleine witte moskee.

Boernoeskleed
Boernoeskleed

In de tuinen van de Souf ontmoetten ze elkaar. De vreemdelinge en de Spahi. Onder de boernoes, bevond zich een vrouw. De Spahi is jong, elegant en gekleed als een Spahi.

Spahi

Ze vindt hem mooi. De nacht, in een ‘voorbestemde tuin', en de jonge Arabier, bedreven daar de aristocratische Russin en een sergeant de liefde. Het oog van de woestijn ziet, zelfs al is er niets te zien. Het scherpe oog van een roofdier.

Het is een schandaal.

Het is voldoende voor Slimène om aan die eerste dagen te denken, die waanzinnige liefdesnachten in El Oued en die nachten in dat armzalige huis, om niet meer te twijfelen aan de kracht van zijn liefde voor haar, hij heeft altijd van haar gehouden, vanaf het eerste moment dat hij haar zag tot aan haar dood, hij is er niet in geslaagd haar te redden, hij leeft, zij verdween, haar levenloze lichaam verbrijzeld op een plank, haar lichaam in een wit laken gewikkeld volgens Islamitisch gebruik. Waarom hij, levend, en zij dood? Waarom? De kwaadste dag van alle dagen. Hij wilde niet meer leven.

Ze hielden van elkaar.

Slimène is verbaasd over de huishoudelijke kwaliteiten van Ziza. Ze werkt in de tuin en in het huis, een volmaakte minnares. Een verliefde vrouw. De gewaardeerde vreemdelinge leeft niet meer op haar paard, rookt geen kif meer in de Moorse cafés, en ze zwerft niet meer van het ene naar het andere kerkhof. Haar paard, Souf, een roodbruin paard is in rust. Ze verwacht haar boeken. Haar schriften zullen weldra zwart zien van haar tekens. Maar ze schrijft niet. Hij begrijpt het niet. Wat doet ze met haar dagen? Hij weet wat ze met haar nachten doet. Hij is zijn Zouizou, zijn Zizou, zijn geliefde, altijd gelukkig met hem, gelukkig met haar, in omhelzing. Hij maakt zich zorgen, soms, over een nieuw verdriet, zo lijkt het. Isabelle praat over ‘melancholie', haar ‘melancholie', maar tegelijkertijd, herhaalt ze dat ze zoekende is en dat ze van de melancholie van de Souf en van de Islam houdt. Een ander soort melancholie? Zij zegt ‘melancholie' en hij ‘verdriet'? Een droefheid die Ziza overvalt en haar onbezield, zielloos en wanhopig maakt, een nood waarvan Slimène niet weet hoe hij die moet bevechten om van Isabelle weer Ziza te maken, zijn Ziza. Hij twijfelt aan de vreugden die kif oplevert, tijdelijk, vluchtig en hij twijfelt aan de brandende lach die alcohol veroorzaakt. Houdt ze niet meer van hem? Beseft ze niet meer dat hij er is, voor haar, met haar, als enige. En is hij dan niet de enige? Vanaf het ochtendgloren, wanneer hij nog slaapt, en zij noch aan koffie of brood heeft gedacht, galoppeert Isabelle-Mahmoud op Souf, zijn geliefde paard, door de Souf. Waar wil ze naartoe? Waar wil ze aankomen? Ze praat dikwijls over ‘de primitieve tijden der mensheid', over ‘de primitieve mens', over ‘de serene, rustgevende Islam...' Waar gaat ze dàt vinden dat je niet op aarde kunt vinden, dàt wat men na de dood vindt? Slimène, gewend geraakt aan haar plots wegvluchten, ontwaakt niet meer door haar ongewenste vertrek, maar hij weet dat zijn dag niet rustig zal verlopen. Van Zaouïa naar Zaouïa, langs de graven in het ochtendgloren, de fantasieën en de religieuze feesten, en zwarte muzikanten. Omwille van de roddels en de militaire richtlijnen volgt Slimène Si Mahmoud op haar bedevaarttochten. Isabelle vertelt hem alles wanneer ze terugkomt, hij luistert zoals men naar een verhalenvertelster luistert. Tot op de dag dat...

Heeft Slimène geweten (hij heeft het niet geweten) wie de hand heeft geleid die zijn geliefde wilde vermoorden? Het zwaard heeft haar geraakt, haar verwond, het heeft haar niet gedood. De stem van een engel is niet de stem van God. Op het proces in Constantine, ‘Juffrouw Eberhardt, Russisch sujet' noemde de militaire attaché haar, verklaart Isabelle-Si Mahmoud, op de dag van haar proces gekleed als inheemse vrouw, in een lange witte Kaftan, met een witte sjaal om een calotte geknoopt, dat ze haar moordenaar van Béhima vergeeft. Slimène had officieren van het Arabisch Bureau gehoord, zijn vrienden, kapitein Cauvet en majoor Taste die in Auch geboren was en arts was in El Oued. Zij namen de verdediging van juffrouw Eberhardt op zich tegen hen die haar ervan beschuldigden zich verkocht te hebben aan dissidente moslimbroederschappen, aan officieren en notabelen van de kolonie. Men las haar uitwijzing voor.

Kaftan
Kaftan

In hotel Metropool troost Slimène zijn Ziza. Hij neemt haar teder in zijn armen.

Hij zal er altijd zijn, voor haar, met haar. Ze zullen elkaar nooit verlaten. Ze waren samen in Batna, een kleine garnizoensstad, in het koloniale gebied, een dorp met zwarte mensen, net voor de aanslag in Béhima. Hij zal de liefdesboodschappen die Ziza naar de kazerne stuurde voor haar liefste Zouizou nooit vergeten, ze spreekt over haar ziel, zijn schoonheid, zijn goedheid. Ziza houdt van hem, daar twijfelt hij niet aan. Ze wil niet dat hij in de vrouwenverblijven van de echtgenoten van de Spahi verblijft, in oude bordelen waar de families van de inheemse Spahi kamers huren. Ze wil niet dat hij deelneemt aan de ruzies en de banale huishoudelijke disputen tussen die vrouwen, de hel der vrouwen in een huis. Ze wil niet dat hij deelneemt aan politionele pesterijen. Slimène en Isabelle zijn niet welkom in Batna.

Batna
Batna

Ze trouwen in Marseille.

Door dit huwelijk wordt zij Française, Isabelle Ehnni kan als Française terugkeren naar Algerije. Ze is met hem getrouwd omdat ze van hem houdt, en niet... Slimène is daar niet zo zeker van. In Bône bezoekt ze haar familie. Ziza houdt er niet van om tussen vrouwen te leven van wie het leven bestaat uit babbelen en kwebbelen. Algiers. Slimène weet niet altijd waar zijn vrouw is. Hij ziet haar nauwelijks. Maar ze bevestigt dat ze zal schrijven, schrijven hoeveel ze van hem houdt, wat ze wil, dat ze haar artikelen wil publiceren in een krant die El Akhbar heet. Hij vindt haar opgewonden, maar hij gelooft wat ze zegt. Victor Barrucand de hoofdredacteur van de krant engageert haar. Net zoals zij verdedigt hij de inheemse bevolking tegen de excessen van de kolonisatie, zowel in het Frans als in het Arabisch. Zijn vrouw praat ook over de werkplaats van Luce Benaben, die patronen van borduurwerk verzamelt voor de Frans-Islamitische school voor jonge moslimmeisjes, in de straat van de duivel. Mevrouw Luce Benaben leidt de school die zij graag had willen oprichten. Slimène hoort Isabelle Dani Dan zingen, ze zingen de Arabische quadrille als duet. Hij verveelt zich nooit met haar, zelfs niet als ze hem de les spelt. Dat amuseert hem. Ze gaat dikwijls weg, te dikwijls? Hij zegt niets. Als ze terugkomt vertelt ze, Ziza, zijn verhalenvertelster van de kleine woestijn en van de grote woestijn. Met welke intensiteit, welke passie, spreekt ze over Lella Zeyneb van de El Hamel moslimbroederschap. Hij vraagt zich af of ze niet op een dag zal beslissen om in de Zaouïa van die vrouw met de witte sluier te gaan leven. Zijn vrouw, mystica... dan zal hij haar nooit meer zien. Nu komt Isabelle steeds terug, maar ze vertrekt zo vroeg weer.

Ténès. Slimène is een khodja, een ‘meester', vertaler-tolk in de administratie, ex Spahi en als republikein vijand nummer één van de burgemeester, die verkozen werd met een anti joods programma. Isabelle Eberhardt is de vrouw van Slimène Ehnni. Wanneer hij haar voorstelt in de geletterde milieus van Ténès benadrukt hij: ‘Si Mahmoud Saâdi, Madame Ehnni, mijn vrouw.' Ze is gekleed als een inheemse ruiter, een cavalerist, zoals haar man er een was. Ze rookt, ze drinkt alcohol, rookt kif, praat over literatuur met zijn vrienden, functionarissen en schrijvers, zoals Robert Randau en Raymond Marival, die de Algerijnse literatuur verdedigen tegen ‘de koloniale roman', ze wandelt op het strand, langs de boerderijen in Tarzot, anarchistische boerderijen van kolonisten die de notabele kolonialen en de feodale inheemse leiders schrik aanjagen. Randau leent haar de mooie witte merrie met een zwarte vlek op het voorhoofd, zij noemt de merrie Ziza, en ze loopt als inheemse in boernoes van douar naar douar, verzamelt de grieven van de arme boeren, prooi van het plaatselijke feodalisme (die hen als de dikke darmen van een roofdieren verteren) en van een administratie die hen niet tegen misbruiken beschermt. Slimène hoort de valse beschuldigingen ten aanzien van zijn vrouw aan, ‘een travestie van een inheemse man'. Men praat over haar verdachte trektochten langs de douars, haar pogingen om de plaatselijke bevolking tegen Frankrijk op te hitsen, over haar anti-Franse propaganda. Men beschuldigt haar ervan de inheemse chefs te corrumperen... Men praat over nachtelijke uitspattingen met inheemsen in bepaalde huizen in de stad. Ze gaan niet meer naar de eeuwenoude olijfboom op de heuvel, waar ze de baai van Ténès zien liggen, en kunnen wegdromen en mediteren. Ziza in de armen van Zouizou.

Ze worden uit elkaar gedreven. Isabelle Ehnni naar Algiers. Slimène Ehnni wordt benoemd in Colbert. Ze scheiden niet. Isabelle Eberhardt-Si Mahmoud trekt naar Aïn Sefra, waar ze voor de krant El Akhbar, oorlogsreporter wordt, Slimène ziet zijn vrouw zelden, ze is ver weg, in het land van woestijnstof. Gelukkig. En hij? Is ongelukkig zonder Ziza, Isabelle, zijn vrouw, zijn geliefde. Denkt zij aan hem?

An Sefra
Aïn Sefra

Te paard, in de woestijn, schrijft ze midden in een oorlog. Zij ziet wat niet gezien mag worden, ze vertelt wat niet verteld mag worden. Vrijheid. Men denkt dat Lyautey haar manipuleert, maar dat is vals. Slimène weet dat. Hij geloof wat zij zegt. Trouw en loyaal aan zijn vrouw. Zijn enige vrouw en hij vraagt zich af of zij nog net zoveel van hem houdt als tijdens die eerste nachten in El Oued.

Zij sterft in Aïn Sefra.

Hij is gered. Levend. Ziza is dood. Hij wou dat hij dood was...

| Meer